Sfeer2

door Loek Oudeman – augustus 2017

Het was op een winterse zondagmorgen voor kerktijd in de jaren zestig van de vorige eeuw. Ik moet een jaar of twaalf, dertien zijn geweest. Hij reed onze oprijlaan op in zijn gloednieuwe Opel Sedan. Ik zag hem aankomen en ging naar buiten. Of ik zin had om met hem mee te gaan. Maar natuurlijk. Ik wist niet waarheen, maar dat deerde niet.

In de zomervakanties hielp ik hem vaak als we het stro van de tarwe samen persten en het naar zijn grote boerenschuur transporteerden. Ik sjouwde met de zware balen en mocht soms de tractor besturen. Als de uien of de aardappelen geoogst moesten worden, reed ik met de tractor plus aanhangwagen parallel naast de rooimachine. Ik moest dezelfde snelheid zien aan te houden zodat de rooimachine de uien of aardappelen rechtstreeks in mijn aanhanger kon “spugen”. Als de machine stuk was – en dat gebeurde nog al eens – gingen we over op het oude handwerk. Met de riek werd de oogst in de wagen gegooid. Ik werd er beresterk van en ik had er lol in.

Herman was een zwijgzame man. Zijn instructies waren altijd duidelijk, concreet zonder verdere toelichtingen. Ik deed exact wat hij wilde. Hij op zijn beurt vulde aan het eind van de week een envelop met mijn verdiensten. Zijn vrouw hield de uren die ik werkte nauwgezet bij. Ik was als jonge jongen de koning te rijk.

Op die zondagmorgen reden we naar ‘het poldertje’. Zo noemde hij het 20 hectare grote perceel. Het was onderdeel van de grote Wilhelminapolder bij Goes – ooit teruggewonnen op de Oosterschelde. Toen we er aankwamen stapte hij uit en ik volgde hem. Hij stapte over de aarde waar hij in het najaar wintertarwe had gezaaid. Die stond nu zo’n tien centimeter hard groen boven de grond. We liepen samen rustig tussen de regels door.
 Oom Herman (zo noemde ik hem want hij en zijn vrouw waren bevriend met mijn ouders) zei niets en ik vroeg hem niets. Het was eindeloos stil. De zeeklei kleefde aan mijn laarzen en we zetten onze stappen zorgvuldig om de tarwe niet te beschadigen. Toen we zo een heel eind over de akker hadden gelopen sprak hij welgeteld vijf woorden: “Het ziet er goed Loeki.” Ik antwoordde vroegwijs: “Ja, de tarwe lijkt het goed te doen.” Dat was de conversatie van die dag. Zeeklei en stilte. Daar wordt een jongen een man van.

Ik bewaar dierbare herinneringen aan mijn gesprekken met oom Herman, maar verder was er in mijn jeugd meer dan voldoende om Zeeland en het boerenbestaan voor altijd de rug toe te keren. Ik vertrok er op mijn twintigste om de zeeklei voor ruim veertig lange jaren te verruilen voor de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug en gesprekken van meer dan vijf woorden. Mijn klompen en laarzen droeg ik nog hoogst zelden.

Sinds het poldertje zijn er zo’n vijftig jaar verstreken.
Het is zaterdag 12 augustus 2017.
Het is mistig en het regent onophoudelijk. Zomer in Nederland. Onze architect, Ewoud, die in Brazilië woont en werkt is op ons verzoek over komen vliegen voor een workshop, die hij zelf ontwikkeld heeft en die bij hem aan ieder ontwerpproces voorafgaat. We hebben hem gevraagd ons nieuw te bouwen huis te ontwerpen.

Ewoud van Schaijk: “Om te mogen bouwen, moet je eerst geleerd hebben hoe te leven, hoe te wonen.” 

Hij start niet met moodboards of met een lijst van verlangens en (woon-)wensen. Nee, hij start met een onderzoek naar het leven van zijn opdrachtgevers en een onderzoek naar de energie van de plek waar er gebouwd gaat worden. Niet via de cognitie maar via het onbewuste.

En natuurlijk vindt dat alles plaats op de plek waar het uiteindelijk zou mogen gebeuren.
We arriveren met onze twee hondjes in onze camperbus om half tien op deze drijfnatte morgen aan de rand van het kavel dat hopelijk ooit het onze wordt.

Na een uitdagende inleiding stuurt de architect ons met een strikt individuele opdracht het veld in. Er dient het komende uur niet gesproken te worden. Stilte.
Ik loop langzaam door de akker waar een boer wortels in rulle aarde heeft gezaaid. Mijn voeten zakken diep weg in de zware aarde. Opeens dringt het tot me door. 
Ik loop op de bodem van de voormalige Zuiderzee. Dit is nieuw land. Dit land is gewonnen op de zee. Ik bevind me opnieuw in een polder.
De klei plakt aan mijn laarzen als een driedubbele extra zool. Het is stil, eindeloos stil. Verleden en heden komen bij elkaar.

Hier ga ik wonen. Dit wordt mijn land.

Ik kom aan bij het Labyrinth dat door Ewoud als een tijdelijk kunstwerk in het landschap is neergezet. Margreet en ik gaan de zo ontstane route lopen met de vraag: Wat mag hier ontstaan? – Wat zou de aarde van ons willen? 
De vraag maakt nederig en dankbaar.

Ewoud staat in zijn gele regenjas op ons te wachten.