99leren Van Het Leven Zelf 500×350

Margreet Rierink – augustus 2017

Hij stierf toen ik 10 jaar oud was. Ik was zijn oudste kleinkind.

Voor mij was hij niet zo makkelijk benaderbaar. Ik was er nooit zeker van of hij mijn gezelschap op prijs stelde. Ik vermoed dat ik hem op een bepaalde manier irriteerde.

Op mijn jongere zusje was hij dol. Zij was minder bang dan ik, handiger ook en sneller. Ze kon zelfs eerder fietsen en om dat te vieren kochten opa en oma voor haar een schitterende rode fiets, terwijl ik voortstuntelde op iets ouds met zijwieltjes.

Op mijn vijf jaar jongere broertje was hij zo mogelijk nog doller. Mijn broertje droeg namelijk zijn naam: Bram. Mijn broertje zorgde ervoor dat zijn naam ook in de derde generatie bewaard zou blijven.

Maar met mij was de relatie op z’n zachtst gezegd ongemakkelijk. Ik heb inmiddels – via Jungiaanse therapie – begrepen waar dat destijds over ging, maar dat doet hier niet ter zake.

Wat belangrijk is, zijn de wandelingen die ik met hem maakte en die ik nooit vergeten ben.

Opa was in Wageningen opgeleid tot ingenieur bosbouw. Hij had niet alleen “houtvester” als beroep, hij was houvester (https://nl.wikipedia.org/wiki/Houtvester). In hart en nieren. Alleen in de natuur vond hij rust. Hij kende God, noch gebod, anders dan de wetten van de natuur en het gezag van mijn oma, zijn grote liefde.

Opa beheerde in zijn jongen jaren de bossen van Nederlands-Indië. Volgens de verhalen was hij soms weken van huis. Voor zijn werk doorkruiste hij de enorme wouden van de verschillende eilanden. Hij woonde in het bos, hij at er, hij sliep er.

Toen hij met zijn gezin noodgedwongen naar Nederland terugkeerde in de jaren na WO II, liep zijn loopbaan als houtvester ten einde. Daar had Nederland simpelweg te weinig “hout” voor. Maar de relatie tussen hem en de bomen bleef in stand.

En zo nam hij mij altijd mee het bos in – ze woonden aan de rand ervan -, als ik bij hen logeerde. Ik herinner me vooral de keer dat ik een kartonnen schoenendoos bij me had. Het was herfstvakantie en alle kinderen dienden bij de eerste schooldag een zelf gemaakt zogenaamd herfststukje bij zich te hebben – een klein stilleven – in de schoenendoos – met zelf geplukt mos, blaadjes, eikels, paddestoelen, etcetera. Ik vermoed dat de juf het een heel educatief project vond, maar opa Bram ontstak in grote woede. Hoe ik het in mijn stomme kinderhoofd haalde om ook maar iets uit het bos mee te willen nemen.
Dat was verboden.
Dat wil zeggen: hij verbood het mij.
Weg met die doos.
Weg met die juf.
Ik hoorde zijn tirade ontzet aan.
Nooit, maar dan ook nooit mocht er iets geplukt, of afgebroken of meegenomen worden. Tenzij – en dat was dan ook werkelijk de enige uitzondering – ik van honger dreigde om te komen. Dan, maar ook dan alleen, mocht er door de mens iets aan het bos ontnomen worden.

En zo was ik dus het enige kind dat zonder herfststukje na de vakantie naar school ging. Ik geloof dat ik mijn doos uiteindelijk uit arren moede beplakt heb met wat plaatjes uit het blaadje van de Natuurbescherming, maar ik had er een gouden les voor terug gekregen.

Opa vond hierin namelijk een goede aanleiding om me met aandacht bij elke boom die we tegen kwamen uit te leggen wat er te zien viel. Ik moest het soort boom leren herkennen en vervolgens met hem onderzoeken welke plantjes er vlakbij groeiden, welk mos, welke paddestoelen. Welke insecten we er konden verwachten en welke vogels.
Daarna keerde hij het om. Als we bepaalde kleinere plantjes tegen kwamen, moest ik kunnen vertellen welke bomen we dan in de buurt konden verwachten. De ene soort voedde de andere – letterlijk. Ik vond het een wonder.
Thuis, bij oma, kreeg ik thee en pakte hij het het Grote Bomenboek erbij. Hij stopte stukjes papier tussen de pagina’s van de bomen die we gezien hadden en besproken.

De gedachte om iets uit het bos mee te nemen, is nooit meer bij me opgekomen. Ik leerde pas jaren later de woorden biologisch, duurzaam, eco-systeem en voedselpiramide kennen. Ik denk dat die destijds nog niet bestonden. Ze waren zo vanzelfsprekend dat ze nog geen taal nodig hadden.

Ik zou de lessen van opa nu niet meer in detail na kunnen vertellen. Ik weet niet meer wat er bij wat hoort in het bos, maar het principe ben ik nooit vergeten.

Hij is al zo’n 40 jaar dood. Maar ik moest een paar weken geleden aan hem denken, toen we met de architect een workshop deden op het stuk grond in Oosterwold, waar Loek en ik gaan wonen. We gaan er samen-leven. Met onszelf, met ons werk, met de hondjes, met ons gezin, maar ook met de grond en met wat er al leeft en wat er al is. De locatie dwingt een respectvolle omgang met de aarde af. Als de herinnering aan opa dat al niet doet. Hij was opeens weer even heel dichtbij. Opa Bram.

Opa – joehoe- ik kon inderdaad niet zo snel fietsen, maar ik heb toch veel van je geleerd. Misschien was je uiteindelijk toch best trots op me geweest. Ik zal een boom voor je planten – over een jaar – als de grond hopelijk “van ons” is, dat wil zeggen als we er dan voor mogen zorgen.

Toen ik een paar weken na zijn begrafenis, bij mijn oma op bezoek kwam, had zij iets voor me klaar liggen in een wit kussensloop: het Grote Bomenboek.