Ewout1

Margreet Rierink – juni 2017

Het loopt tegen het einde van de zomer van 2016. Ik heb geen idee waarom, maar opeens moet ik denken aan iemand van lang geleden. Ik zag en sprak hem voor het laatst even kort in 2003 of 2004 – daar wil ik vanaf zijn – bij een huwelijk. Hij was erbij omdat de bruidegom zijn beste vriend was. Ik was erbij omdat ik toen nog tot de omstaande familie hoorde. Hij was er speciaal voor naar Nederland gekomen samen met zijn vrouw en hun pasgeboren meisje. Het verhaal ging dat zijn vrouw de oudste dochter was van een vooraanstaande Braziliaanse indianenstam, met hun grondgebied aan het strand. Ik vond het echt iets voor hem.

Ik had hem ooit leren kennen in de vroege jaren ’80, omdat ik het vriendinnetje was van het jongere broertje (de latere biologische vader van mijn kinderen) van zijn beste vriend. (Ja inderdaad, diegene van het huwelijk in 2003/2004. Ik kan hier misschien het beste een sociogram bij tekenen :-).
Ik kan moeilijk zeggen dat we echt bevriend raakten. Ik hoorde er gewoon zo’n beetje bij. Als aanhang.

Hij vertegenwoordigde een wereld die ik nog helemaal niet kende. Hij was in opleiding tot architect. Zijn verhalen gingen over schoonheid en ruimte. Over experimenten, ongebruikelijke materialen en leegte. Dat alles was voor mij volslagen nieuw. Maar de snobistische wereld van de Nederlandse architectuur had niet zo zijn hart. Hij studeerde af in Portugal op architectuur voor de allerarmsten en hij vertelde – als hij al sprak, want het was een man van weinig woorden – over zijn wens om zijn vak te gaan beoefenen in de favela’s van Brazilie.

Ik was op mijn zestiende voor het eerst in aanraking gekomen met kunst en ambacht. De ouders van mijn vriendje hadden hun huis liefdevol ingericht met een sfeervolle mengeling van oude en nieuwe kunst, design en ambacht en de heilzame werking die daarvan uitging ben ik nooit vergeten. Die herinnering koester ik tot op de dag van vandaag. Maar tot mijn twintigste had ik verder nooit werkelijk stilgestaan bij vormgeving, esthetiek, architectuur – laat staan bij sociale architectuur. (Dat alles werd uiteindelijk pas echt wakker toen ik in 2005 met Loek ging samenleven.)
Na zijn afstuderen werkte hij onder andere samen met Thomas Rau. Ja precies, die man van die goed bekeken uitzending van Tegenlicht. Zelfs nu nog is Rau zijn tijd vooruit, maar zijn ideeen zijn niet van vandaag of gisteren. Al in de jaren tachtig van de vorige eeuw werkte hij met zijn mensen, waaronder mijn long lost friend, aan “circulair bouwen”, aan een andere economie en een betere wereld.

In die periode kocht het onderwerp van dit verhaal samen met zijn eveneens zeer creatieve geliefde van dat moment een pand aan de Muiderstraat in Amsterdam. Ik werd er als aanhang van nog altijd hetzelfde vriendje, die inmiddels mijn echtgenoot was, uitgenodigd om te komen eten. Het werd een waanzinnige avond. Ik herinner me de servetten: grote theedoeken die we omknoopten om enorme krabbescharen van de Albert Cuyp te verorberen zonder helemaal onder te komen te zitten. Alles klopte: het avondlicht, het eten, de wijn, de gesprekken en vooral … dat huis. Voor mij was het mindblowing. Ik had nog nooit zoiets gezien. Het was out-of-the-box, het was de wereld op zijn kop, het was low-budget-but-high-end. Het was totaal anders dan wat ik ooit had gezien of in lange tijd zou zien. Tegenwoordig ben ik niet meer zo snel van mijn stuk, maar ik zal die avond nooit vergeten.

Daarna liep het leven zoals het liep. Zijn relatie ging uit en uiteindelijk emigreerde hij via Portugal naar Brazilie. Ik kreeg kinderen met het vriendje van toen en de echtscheiding die zich al vroeg aankondigde, maar die na 15 jaar huwelijk onontkoombaar bleek, verliep destructief. Toen na twee jaar eindelijk de nalatenschap van ons huwelijk verdeeld was, had mijn ex-echtgenoot vrijwel onze gehele sociale omgeving bij zijn deel gekregen en ik begon opnieuw. Met opgeheven hoofd overigens, ik had de liefde mijn leven ontmoet – Loek – en het was een eer en een inspirerende ervaring om het bestaan nog een keer vanuit niets op te bouwen.

Ik weet niet wat me bezielde om op die dag, einde zomer 2016, toch de naam van Ewoud van Schaijk te Googlen. Ik vond hem nota bene via Facebook. Ik verwachtte er niets van. Hij hoorde bij een wereld die van mijn ex was en niet langer van mij. Het was – denk ik nu – meer een eerbetoon aan mijn eigen goede herinneringen. Immers, zelfs Loek kende zijn naam. Ik had hem in de afgelopen jaren tot in detail verteld wat het effect op mij was geweest van die schaarse ontmoetingen zoveel jaren terug.

Tot mijn verrassing kwam er een Facebook-mailtje terug. Intussen was ik ziek geworden en vroeg de combinatie beter-worden en bijdragen-aan-ons-bedrijf al mijn energie. Toen ik er maanden later aan toe kwam om wat uitgebreider mijn wel en wee aan de mail toe te vertrouwen, bleek Ewoud van plan om Nederland, na een afwezigheid van jaren, weer eens aan te doen.
Of we niet wat af zouden spreken?

Maar natuurlijk. Ik verheugde me erop en ik was erdoor geraakt. Iemand van “toen” en nu wat afspreken? Ja heel graag.

In de weken die zaten tussen het maken van de afspraak en het feitelijke etentje – natuurlijk deden Loek en ik ons best om deze ontmoeting ook vinologisch en gastronomisch vorm te geven – speelde zich van alles af. Loek en ik ontdekten de mogelijkheid om te bouwen in Oosterwold, we besloten om ons huis te koop te zetten, enfin … het hele verhaal. We waren al aan het schetsen voor het nieuwe huis en we informeerden links en rechts naar een architect die ons zou passen. Loek was intussen het boek van Thomas Rau Material Matters voor de tweede keer aan het lezen en onze dagen vulden zich met het licht van een mogelijk nieuw perspectief.

In juni 2017 stapt Ewoud ons huis binnen. Nog iets taniger dan ik me hem me herinnerde, iets grijzer, iets rechterop misschien, maar verder exact zoals ik hem kende en zoals ik hem beschreven had aan Loek.
Het wordt een prachtige avond. Eindelijk kan ik teruggeven wat ik ooit – 27 jaar geleden – in de Muiderstraat ontvangen had. We vullen kort de hiaten in onze persoonlijke geschiedenissen op, maar daarna gaat het vooral over het heden, over ideeen, over werk, over uitgangspunten en benaderingen. Het pakt totaal verrassend uit. De benadering van Loek als het gaat om mensontwikkeling is als een zielsverwant van de benadering van Ewoud als hij bouwt. Het is vraaggericht, ego-loos, ontwikkelingsgericht en waardenvrij. Ik geloof dat we er alle drie verbaasd over zijn.

Ik schrijf in mijn onafscheidelijke boekje:

Ewoud van Schaijk: “Het gaat bij architectuur niet in de eerste plaats om de wanden en het dak, maar om datgene dat zich in de ruimten daartussen ontwikkelen mag. De leidende vraag is altijd welke levensdroom door het huis gekoesterd en gefaciliteerd wil worden.

Als hij een paar uur later ons huis weer verlaat, ruimen we samen de vaatwasser in, in stilte, verbazing en verrassing. We laten het hondje uit. Bij een laatste kop thee zegt Loek: ‘Ik geloof dat we onze architect gevonden hebben.”

Niet zoeken maar vinden.